TEKSTEN CURSUS
Week 6 2009
Fragment uit het hoofdstuk Het vuur van de aandacht uit Alle dagen zen van Joko Beck
In de jaren twintig, toen ik zon acht of tien jaar oud was, woonden wij in Ncw Jersey waar de winters koud zijn en hadden we een kolenkachel in huis. Het was altijd een hele gebeurtenis in de straat als de kolenwagen kwam en zijn lading via de kolengoot in de kelder loste. Ik leerde dat er twee soorten steenkool in de kolenkelder terecht kwamen: de ene heette antraciet of harde steenkool en de andere was bruinkool een zachte soort. Mijn vader vertelde me hoe deze twee soorten steenkool op verschillende manieren branden. Antraciet verbrandt heel schoon en geeft weinig as. Bruinkool geeft heel veel as. Als we bruinkool brandden kwam de hele kelder onder het roet te zitten en er drong zelfs wat van door naar boven in de woonkamer. Ik kan me nog herinneren dat mijn moeder daar wat over zei. 's Avonds laat rekende mijn vader het vuur in zoals dat heet, en ik leerde ook hoe ik dat moet doen. Het vuur inrekenen betekent er een dun laagje kolen overheen leggen en dan de schoorsteenklep dicht draaien zodat het vuur heel langzaam blijft doorbranden. In de loop van de nacht wordt het koud in huis, dus moet het vuur 's ochtends worden opgepord en de klep weer opengezet; dan kan de kachel het huis weer verwarmen.
Wat heeft dit allemaal met onze zen-beoefening te maken? Beoefening gaat er om dat we ophouden ons uitsluitend met onszelf te vereenzelvigen. Dit proces is wel eens het louteren van de geest genoemd. Om de 'geest te louteren' betekent niet dat je heilig moet worden of anders dan je bent; het betekent je ontdoen van datgene wat iemand - of een kachel - belet om op zijn best te werken. De kachel werkt het best met harde steenkool. Maar helaas zitten wij vol niet zachte steenkool. Er is een gezegde in de bijbel dat luidt: 'hij is een beproevend vuur.' Het is een gebruikelijke vergelijking die je ook in andere religies vindt. Het uitzitten van een sesshin (retraite) is als het zitten in een beproevend vuur. Eido Roshi zei eens: 'Deze zendo (meditatieruimte) is geen vredige toevluchtshaven, maar een stookplaats voor het verbranden van onze egoïstische waanideeën.' Een zendo is geen plek voor gelukzaligheid en ontspanning maar een stookplaats voor het verbranden van onze egoïstische misvattingen. Welk gereedschap moeten we daarvoor gebruiken? Slechts één ding. We kennen het allemaal, maar we gebruiken het toch vrij zelden. Dat is aandacht.
Aandacht is het snijdende, brandende zwaard en onze beoefening is niet anders dan dat zwaard, zoveel als we kunnen, te gebruiken. Geen van ons gebruikt het graag, maar als we het doen - al is het maar een paar minuten - wordt er telkens wat weggesneden en verbrand. De hele beoefening is erop gericht ons vermogen aandachtig te zijn te vergroten, niet alleen tijdens zazen, maar in ieder ogenblik van ons leven. Als we zitten gaan we inzien dat ons conceptueel denken een fantasie is; en hoe meer we dat inzien hoe meer ons vermogen om aandacht aan de werkelijkheid te besteden toeneemt. Hoeang Po, een van de grote Chinese meesters heeft gezegd: 'Als jullie je alleen maar van het conceptueel denken kunnen vrijmaken, zul je alles hebben bereikt.' We 'bevrijden ons van het conceptueel denken' wanneer we door volhardende observatie de onwerkelijkheid van onze zelfzuchtige gedachten inzien. Dan pas kunnen we er onaangedaan en wezenlijk onberoerd onder blijven. Dat betekent niet dat we een kil mens moeten zijn. Het betekent in tegendeel, niet langer door de omstandigheden worden gegrepen en meegesleurd.
Naar de andere weekteksten