TEKSTEN CURSUS
Week 6 (donderdag) 2009
Fragment uit het hoofdstuk Ademhalen uit Zen-begin van Shunryu Suzuki
ADEMHALING
Als we zazen beoefenen volgt onze geest altijd onze ademhaling. Wanneer we inademen, komt de lucht naar binnen in de innerlijke wereld. Als we uitademen, gaat de lucht naar buiten naar de buitenwereld. De innerlijke wereld is grenzeloos, en de buitenwereld is ook grenzeloos. We zeggen 'innerlijke' en 'buitenwereld' maar in feite is er maar één wereld. In deze grenzeloze wereld is onze keel als een zwaaideur. De lucht komt binnen en gaat eruit als iemand die een zwaaideur doorgaat. Als je denkt: 'ik adem', is dat 'ik' teveel. Je hoeft geen 'Ik' te zeggen. Wat wij 'ik' noemen, is niet anders dan een zwaaideur die beweegt als wij inademen en als we uitademen. Hij beweegt alleen; dat is alles. Als je geest rustig en zuiver genoeg is om deze beweging te volgen, is er niets: geen 'ik', geen wereld, geest noch lichaam; alleen een zwaaideur.
Als we dus zazen beoefenen, bestaat er alleen de beweging van de adem, maar we zijn ons bewust van deze beweging. Je moet niet verstrooid zijn. Maar bewust zijn van de beweging betekent niet je bewust te zijn van je kleine ik, maar eerder van je universele natuur, of Boeddha-natuur. Dit soort bewust-zijn is heel belangrijk, omdat we meestal zo eenzijdig zijn. Meestal is onze kijk op het leven dualistisch: jij en ik, dit en dat, goed en slecht. Maar in feite zijn deze onderscheidingen zelf het bewust-zijn van het universele bestaan. 'Jij' betekent je bewust te zijn van het heelal in de vorm van jij, en 'ik' betekent je ervan bewust te zijn in de vorm van ik. Jij en ik zijn niet anders dan zwaaideuren. Deze wijze van begrijpen is noodzakelijk. Eigenlijk kun je het niet eens begrijpen noemen; in feite is het de ware levenservaring door de beoefening van zen.
Naar de andere weekteksten