Week 44

De tweede paramita is Shila, ethisch gedrag.

Toen de Boeddha onder de bodhi boom zijn volkomen inzicht in de werkelijkheid kreeg, zag hij dat alles dat bestaat door 3 factoren gekenmerkt wordt:
– er is niets dat een eigen zelf heeft. Alles aan ons hebben we gekregen of heeft zich in de loop van ons leven ontwikkeld onder invloed van factoren die niet-zelf zijn. Zo is het voor alles dat bestaat.
– het proces van worden, waarbij dingen/organismen ontstaan gebeurt op een harmonische wijze. Als specifieke factoren samen komen ontstaat de vorm, die daar het gevolg van is, vanzelf.
– alle vormen zijn uniek voor dit moment in deze omstandigheden.

De Boeddha wist dat het moeilijk is voor mensen om volledig vanuit dit inzicht te leven. We willen duidelijkheid, controle, de situatie naar onze hand zetten, krijgen wat we willen hebben. Daarom heeft hij ethische gedragsaanwijzingen geformuleerd, die aangeven hoe we in overeenstemming kunnen leven met de werkelijkheid zoals hierboven geformuleerd.

De ethische gedragsregels die hij formuleerde zijn niet specifiek voor het boeddhisme, maar kom je in vrijwel alle religieuze en levensbeschouwlijke stromingen tegen:
– niet doden
– niet stelen
– niet liegen
– geen seksueel misbruik begaan
– geen verdovende middelen gebruiken

Deze regels gebruiken we als geloften, voornemens, als oefening om onszelf aan te spiegelen.  In de meest pure vorm kunnen ze ook als volgt geformuleerd worden:
– ik neem mij voor om het kwade na te laten
– ik neem mij voor om het goede te doen
– ik neem mij voor om alle wezens te bevrijden. Mogen we allen de weg van de Boeddha bewandelen.

Opdracht
Wat betekent het voor jou om het kwade na te laten, om het goede te doen en om alle wezens te bevrijden?